Een (draadloos) netwerk/internet aanleggen

Deze pagina gaat over het aanleggen van een beveiligd (thuis)netwerk. Apparaten (desktop, laptop, smartphone, tablet, tv, printer, scanner e.d.) kunnen zowel bekabeld als draadloos op dit netwerk worden aangesloten, en zodoende gebruikmaken van één en dezelfde internetverbinding.


Wat is nodig voor een (draadloos) netwerk?

Modem

Bij het afsluiten van een internetabonnement ontvang je van je internetprovider een modem. Dit modem (ook wel ethernetmodem genoemd) is het apparaat dat de aangesloten netwerkapparaten met het internet verbindt. Deze modem functioneert tevens als router waarop apparaten zowel bekabeld als draadloos verbonden kunnen worden. Het modem beschikt meestal over 3 of 4 LAN-poorten om apparaten met een netwerkkabel te verbinden, met behulp van een router en/of switch (zie verderop) kunnen meer apparaten worden aangesloten. Het heeft overigens de voorkeur om apparaten waar mogelijk met een netwerkkabel aan te sluiten omdat een bedrade verbinding sneller en stabieler is, en je de beperkte draadloze bandbreedte zodoende niet onnodig belast.

Router (optioneel)

Hoewel modems ook van routerfunctionaliteit zijn voorzien, is het bij een wat uitgebreider netwerk verstandig om een geavanceerde draadloze router tussen het modem en de aangesloten apparaten te plaatsen: dit is veiliger (vanwege de extra firewall en de betere beveiligingsopties), biedt een hogere draadloze capaciteit (hetgeen zich uitbetaalt in een beter bereik en hogere snelheden voor alle aangesloten apparaten) en loopt minder snel vast dan de routerfunctie van het modem. Ook routers beschikken doorgaans over 3 of 4 LAN-poorten, plus een WAN-poort. Het modem wordt met een netwerkkabel op de WAN-poort aangesloten, waarna de router de internetverbinding verdeelt over de (draadloos of met een netwerkkabel) aangesloten apparaten.

Routers zijn in verschillende draadloze snelheden verkrijgbaar: de g-standaard (54 Mbit/s), de n-standaard (150 Mbit/s), de ac-standaard (433 Mbit/s), de ax-standaard (10 Gbit/s) en de be-standaard (46 Gbit/s). De wat oudere g- en n-standaarden maken gebruik van de 2,4 GHz-band waarbij het aantal beschikbare kanalen beperkt is en er vaak sprake is van interferentie (elkaar storende netwerken). Met de ac-en ax-standaard kan naast de storingsgevoelige 2.4 GHz-band ook de 5 of 6 GHz-band (met een veelvoud aan niet overlappende kanalen) worden gebruikt. De be-standaard gebruikt de 320 MHz-band waardoor nóg hogere snelheden mogelijk zijn. Is de router voorzien van meerdere antennes dan zijn hogere snelheden mogelijk (omdat elk antenne op een eigen frequentie kan uitzenden en de datastreams gebundeld kunnen worden.

LET OP: Wordt de draadloze functie van modem en/of router niet gebruikt? Schakel deze dan uit zodat onbevoegden er geen gebruik van kunnen maken, en het ook geen storing kan veroorzaken bij andere draadloze netwerken in de omgeving.

Switch (optioneel)

Hebben het modem en/of de router te weinig LAN-poorten om alle apparaten aan te sluiten, breidt de capaciteit dan uit met een switch. Een switch is een kastje met extra LAN-poorten (doorgaans 4, 8 of 16) dat op een van de LAN-poorten van het modem of de router wordt aangesloten. Een switch kan ook van pas komen wanneer een groep computers op een relatief verre locatie staat (bijvoorbeeld op zolder), er hoeft dan namelijk maar één lange netwerkkabel naar de switch te worden getrokken (in plaats van voor elke computer één). Staat de switch in de meterkast, direct achter het modem of de router, dan is het verstandig om de apparaten direct op de switch aan te sluiten zodat al het interne verkeer door de switch wordt afgehandeld. Een switch werkt namelijk als slim doorgeefluik voor de verzonden pakketjes, om de onderlinge communicatie efficiënter en sneller te laten verlopen (heeft de switch te weinig poorten, sluit de minst gebruikte apparaten dan aan op de poorten van het modem of de router).

TIP: Is de tv op de switch aangesloten en hapert het beeld? Dit kan worden veroorzaakt doordat de gebruikte switch geen IGMP snooping ondersteunt.

Netwerkkabels

Een netwerkkabel (ook wel CAT-kabel genoemd) is een 8-aderige kabel waarmee netwerkapparatuur met elkaar verbonden kan worden. Er zijn vele varianten netwerkkabels. Hoewel een CAT5/CAT5e-kabel met een verbindingssnelheid tot 100 Mbit/1 Gbit nog prima voldoet (zeker als de afstand beperkt blijft tot 10 meter), is het verstandig om daar bij nieuwe aanleg geen gebruik meer van te maken. Investeer liever in de toekomst (waarbij snelheden van 2½, 5 of zelfs 10 Gbit gemeengoed zullen zijn) en kies voor CAT6/CAT6a (1/10 Gbit), CAT7 (10 Gbit) of zelfs CAT8 (40-100 Gbit) kabels. Voor het aansluiten van apparatuur gebruik je bij voorkeur flexibele voorgefabriceerde netwerkkabels (waarbij de kern van elke ader bestaat uit meerdere draadjes), voor kabels die eenmalig worden getrokken (en daarna dus niet meer bewegen) kan je daarentegen het beste de stugge variant met een vaste kern nemen. Deze zijn (met behulp van een LSA-tang) aan te sluiten op een patchpaneel, wandcontactdoos e.d. Vermijd waar mogelijk het gebruik van zelf (met RJ45-stekkers) gefabriceerde kabels omdat deze storingsgevoelig zijn. Vermijd ook de kabels waarvan de aders niet van koper (Cu) zijn, ook al zijn ze een stuk goedkoper!

Stappenplan: een draadloos netwerk aanleggen

Stap 1: Het modem plaatsen

De plaatsingslocatie van het modem is voornamelijk afhankelijk van het type internetabonnement (glasvezel, kabel of ADSL). De beste plaats voor een ADSL-, kabel- of glasvezelmodem wordt bepaald door de plek waar het signaal het pand binnenkomt, bijvoorbeeld in de meterkast of bij de TV.

Stap 2: Het modem installeren

Volg bij het aansluiten van het modem de aanwijzingen van de internetprovider. Maak bij voorkeur eerst een bekabelde internetverbinding voordat een draadloze verbinding wordt opgezet (stap 5), zo zijn eventuele problemen snel te achterhalen. De aangesloten pc krijgt automatisch een IP-adres toegewezen van het modem, en zou daarom direct met internet verbonden moeten zijn (dit is te controleren via Instellingen > Netwerk en internet.

Draadloss neterwerk: netwerkstatus

De uitgebreide eigenschappen van de netwerkverbinding zijn op te zoeken via Geavanceerde netwerkinstellingen > Hardware- en verbindingseigenschappen. Denk bijvoorbeeld aan het IPv4-adres (192. 168.x.x dan wel 10.0.x.x), het IPv6-adres (waarbij elk adres uniek is), het fysieke MAC-adres en de standaardgateway. Onthoud waar je deze informatie kunt opzoeken, de standaardgateway (het IPv4-adres; zonder /24) van het modem, deze heb je later nog nodig om de beheerpagina van het modem te openen.

Stap 3: Een router aansluiten (optioneel)

Wordt naast het modem ook nog een router aangesloten, ontkoppel het modem dan weer van de computer (door de netwerkkabel bij de computer los te maken). Sluit de computer vervolgens met een andere netwerkkabel aan op een van de LAN-poorten van de router (hiermee ontvangt de computer een nieuw IP-adres, deze keer van de router). Sluit het modem tot slot met de losgemaakte netwerkkabel aan op de WAN-poort van de router (de router ontvangt nu een IP-adres van het modem). Na deze handelingen zou de internetverbinding het weer moeten doen. Is dat niet het geval dan zitten de IPv4-adressen van modem en router mogelijk in dezelfde IP-range (192.168.x.x dan wel 10.0.x.x). Zie stap 4 hoe je dit kunt controleren en zo nodig aanpassen.

Stap 4: Netwerkinstellingen controleren en wijzigen

Stel via Instellingen > Netwerk en internet, optie Eigenschappen (bovenin het venster) in of er moet worden verbonden met een openbaar of een vertrouwd particulier netwerk. Kies bij twijfel voor Openbaar netwerk als netwerkprofieltype, dat beperkt de risico’s.

De geavanceerde netwerkinstellingen zijn bereikbaar via Instellingen > Netwerk en internet > Geavanceerde netwerkinstellingen, klik op de netwerkverbinding, knop Bewerken. Naast het standaard TCP/IPv4-protocol (IP-adres bestaande uit 4 delen) wordt steeds vaker het TCP/IPv6-protocol (IP-adres bestaande uit 6 delen) vermeld. Wordt de IPv6-variant (nog) niet door de internetprovider ondersteund dan kan deze beter worden uitgeschakeld. De QoS pakketplanner zorgt ervoor dat specifiek internetverkeer (zoals bellen over internet (VoIP)) voorrang krijgt, om kwaliteitsverlies te voorkomen kan deze beter aan blijven staan. Schakel de Bestands- en printerdeling voor Microsoft-netwerken bij voorkeur uit wanneer het niet nodig is bestanden en/of printers te delen met andere apparaten binnen het netwerk. Een onnodig veiligheidsrisico dat beter afgedicht kan worden als er toch geen gebruik van wordt gemaakt. De uitgevinkte optie heeft overigens geen invloed op het verkrijgen van toegang tot gedeelde bestanden en printers op een andere computer.

Eigenschappen netwerkverbinding Windows

TIP: Wordt geen gebruik gemaakt van NetBIOS dan kan deze met het oog op de veiligheid eventueel worden uitgeschakeld via de optie Internet Protocol versie 4 (TCP/IPv4), knop Eigenschappen, knop Geavanceerd, tabblad WINS, activeer optie NetBIOS via TCP/IP uitschakelen. Let op: het is hierna niet meer mogelijk computers in het netwerk op hun computernaam te benaderen (zoals op de pagina over het delen van bestanden wordt beschreven), maar nog wel via het IP-adres.

BESTANDEN DELEN VIA HET EIGEN NETWERK

Waar het vroeger gemeengoed was om bestanden via het eigen netwerk te delen, geeft Microsoft tegenwoordig de voorkeur aan het gebruik van de cloudopslagdienst OneDrive. Daar komt nog eens bij dat Microsoft de beveiliging van Windows heeft opgeschroefd waardoor het extra lastig is geworden om alle benodigde instellingen voor het delen via het eigen netwerk terug te vinden. Besluit je toch om bestanden via het eigen netwerk te delen (en daarmee dus de beveiliging te verlagen!), dan moet het netwerkprofieltype worden ingesteld op Particulier netwerk (in plaats van Openbaar netwerk). De overige instellingen zijn terug te vinden via Instellingen > Netwerk en internet > Geavanceerde netwerkinstellingen > Geavanceerde instellingen voor delen. De meest interessante opties zijn Netwerkdetectie en Bestands- en printerdeling (bij Particuliere netwerken en Openbare netwerken). Onderdeel Alle netwerken bevat ook nog enkele instellingen voor het delen van bestanden: optie Map Openbaar delen (voor het delen van bestanden met alle gebruikers) en optie Delen met wachtwoordbeveiliging (schakel deze alleen uit wanneer dit echt noodzakelijk is!).


Doorgaans worden de IP-adressen van de op het netwerk aangesloten apparaten automatisch toegewezen door de DHCP-functie van het modem of de router (of de DHCP van de router is ingeschakeld, is te controleren via Instellingen > Netwerk en internet > Geavanceerde netwerkinstellingen > Hardware- en verbindingseigenschappen, zoek naar DHCP ingeschakeld). IP-adressen worden gebruikt voor de identificatie van apparaten in het netwerk, elk IP-adres moet dus uniek zijn. Het IP-adres begint met dezelfde range getallen als die van het modem/de router (deze wordt vermeld bij IPv4-standaardgateway en begint meestal met 10.0.0.xxx of 192.168.x.xxx, bijvoorbeeld 10.0.0.1, 10.0.0.138, 192.168.1.1 of 192.168.1.254). Mogelijk wordt dit opgelost door het opnieuw opstarten van het modem/de router, het vervangen van de netwerkkabel of het installeren van de meest recente drivers. Helpt dit niet, reset dan het modem/de router.

Is er naast een modem ook nog een aparte router in het netwerk opgenomen, en ligt het IP-adres van de router in dezelfde IP-range als die van het modem, dan ontstaat er ook een conflict en zal het niet lukken om een internetverbinding op te zetten. In dat geval moet het IP-adres van de router (en de bijbehorende range van automatisch toegewezen IP-adressen) worden gewijzigd van 192.168.xxx.xxx in 10.0.xxx.xxx (of vice versa). Open hiervoor de beheerpagina van de router (typ het IPv4-adres voor de standaardgateway in de adresbalk van de browser) en meld aan met het wachtwoord (zie de handleiding van het apparaat, meestal admin). Wijzig de door de router gehanteerde IP-range (zie de handleiding), sla deze instellingen op en herstart de router. Lukt het nog steeds niet contact te krijgen met internet, neem dan contact op met de helpdesk van de betreffende fabrikant om de routerinstellingen te doorlopen.

VASTE IN PLAATS VAN DYNAMISCH TOEGEWEZEN IP-ADRESSEN

Het is gebruikelijk om het IP-adres dynamisch toe te laten wijzen door het modem c.q. de router. Moet een computer, printer, NAS e.d. echter op basis van het IP-adres teruggevonden kunnen worden in het netwerk, dan kan de netwerkverbinding beter op een vast IP-adres worden ingesteld (zodat deze niet zomaar kan wijzigen, wat met een dynamisch toegewezen IP-adres nog wel eens gebeurt na een herstart, stroomstoring of firmware-update). Een vast IP-adres kan ingesteld worden via Instellingen > Netwerk en internet > Ethernet of sub Wi-Fi, knop Bewerken (bij IP-toewijzing), optie Handmatig. Kies dan wel een adres dat buiten de range van automatisch toe te wijzen IP-adressen ligt (te achterhalen via de beheeromgeving van het modem c.q. de router), anders ontstaat er na verloop van tijd geheid conflicten wanneer de apparaten met de dynamische IP-adressen eerst worden aangemeld.


WACHTWOORD MODEM EN ROUTER

Het is verstandig na de installatie gelijk de inloggegevens van zowel het modem als de router te wijzigen (en daar een aantekening van te maken!). Schrijf deze gegevens op een memoblaadje en plak ze onderop het betreffende apparaat zodat je ze makkelijk kunt terugvinden. Wil je inloggen op de beheerpagina van het modem of de router maar ben je het wachtwoord kwijt? Reset het apparaat dan naar de fabrieksinstellingen (zie de handleiding of de website van de fabrikant).


PLOTSELING GEEN VERBINDING MEER?

Bij plotselinge verbindingsproblemen is het verstandig eerst te kijken of dit wordt opgelost door de computer, het modem en (indien aanwezig) de router opnieuw op te starten. Het wil ook nog wel eens helpen om alle netwerkadapter(s) vanuit Apparaatbeheer te verwijderen. Is de verbinding na een herstart van Windows nog steeds niet hersteld, reset de netwerkverbinding dan eens via Instellingen > Netwerk en internet > Geavanceerde netwerkinstellingen > Netwerk opnieuw instellen, knop Nu opnieuw instellen. Wil je controleren of het modem of de router wel aan staat en reageert, geef dan een PING-commando. Dit kan via de Windows Terminal (te openen via het Win-X menu), commando PING <IP-adres modem/router> (bijvoorbeeld PING 192.168.1.1). Weet je het IP-adres niet, geef dan eerst het commando IPCONFIG (het IP-adres wordt bij de betreffende netwerkadapter vermeld als Default Gateway).


POORTEN VAN DE ROUTER OPENZETTEN

Is het voor bepaalde softwaretoepassingen noodzakelijk om poorten van het modem en de router open te zetten? De pagina over het openzetten van poorten gaat hier uitgebreid op in. Op de website www.portforward.com, worden de poortinstellingen voor de meeste routers besproken. Worden opengezette poorten niet meer gebruikt, sluit ze dan weer!


Stap 5: Draadloos netwerk instellen

Nu het bekabelde netwerk goed werkt, is het tijd om de draadloze verbinding op te zetten. Bij de meeste modems en ook bij menig router is de draadloze functie al door de fabrikant of internetprovider ingesteld en zijn het wachtwoord en de naam van het draadloze netwerk (de SSID) ergens op het apparaat vermeld. Stel je de SSID liever zelf in, log dan in op de beheerpagina van het modem of de router (zie stap 4) en ga naar het gedeelte waar het draadloos netwerk is in te stellen (doorgaans te herkennen aan een naam als draadloos, wireless of wifi). Stel de SSID van het netwerk bij voorkeur in op een niet zo voor de hand liggende naam zodat deze niet zomaar door derden herkend en gebruikt kan worden.

Stap 6: Draadloze verbinding maken

De draadloze verbinding is nu eenvoudig tot stand te brengen: dubbelklik op het icoontje voor de draadloze verbinding in het systeemvak en selecteer het draadloze netwerk met de bij stap 5 opgegeven of achterhaalde naam (de SSID). Had de fabrikant al een beveiliging ingesteld dan is de bijbehorende beveiligingssleutel doorgaans op het modem of de router terug te vinden (wijzig je de sleutel, pas de vermelding op het apparaat dan ook aan!). Zodra deze sleutel is ingevuld, komt de draadloze verbinding automatisch tot stand. Hoeft er geen wachtwoord opgegeven te worden om de draadloze verbinding op te zetten dan is het draadloze netwerk nog onbeveiligd. Op zich prima om de draadloze verbinding even te testen, het is echter verstandiger om de verbinding zo snel mogelijk te versleutelen met WPA2/WPA3 (zie stap 7).

Draadloos netwerk selecteren en de bBeveiligingssleutel draadloos netwerk invoeren

Verbinding maken                                        Beveiligingssleutel invoeren

Vink bij het tot stand brengen van de draadloze verbinding de optie Automatisch verbinding maken aan (zie afbeelding) zodat de beveiligingssleutel van het betreffende netwerk wordt opgeslagen in het geheugen. Komt de computer weer binnen bereik van dit netwerk dan wordt automatisch verbinding gemaakt. Ongewenst opgeslagen draadloze netwerken zijn weer te verwijderen via Instellingen > Netwerk en internet > Wi-Fi > Bekende netwerken beheren, knop Niet onthouden bij het betreffende draadloze netwerk.

Stap 7: Draadloos netwerk beveiligen met WPA2/WPA3-encryptie

Bij draadloze communicatie moet extra aandacht worden besteed aan de beveiliging, want via een slecht beveiligd draadloos netwerk zouden onbevoegden (buren, voorbijgangers) zomaar eens toegang kunnen verkrijgen tot gedeelde mappen met persoonlijke bestanden (waaronder wachtwoorden, e-mail, chats, bezochte websites, internetfavorieten en wellicht zelfs belastinggegevens). Een ander gevaar van slecht beveiligde netwerken is dat onbevoegden het verkeer kunnen aftappen of de internetverbinding misbruiken, met alle ellende van dien. Het is dus belangrijk dat de draadloze verbinding goed wordt beveiligd!

Verzeker je er daarom van dat de router is ingesteld op WPA3 of, indien niet beschikbaar, WPA2. Met WPA3 wordt op elke draadloze verbinding een unieke versleuteling op basis van SAE (Simultaneous Authentication of Equals) toegepast. Er wordt doorgaans beveiligd met WPA-Personal in combinatie met PSK (Pre Shared Key, een wachtwoord in de vorm van een zin). Bij het type gegevenscodering (de codering die wordt gebruikt bij het versleutelen van de datapakketjes) gaat de voorkeur uit naar AES. Beschikt het modem of de router niet over deze beveiliging dan wordt het tijd om het apparaat te vervangen door een nieuwe.

Stap 8: Enkele tips voor een goede draadloze verbinding

Eenvoudig wisselen tussen (draadloze) netwerken

Wordt de pc op een ander netwerk aangesloten dan is het soms nodig om de netwerkinstellingen aan te passen. Dat kan handmatig, maar gaat makkelijker met NetSetMan (download: www.netsetman.com). NetSetMan legt de verschillende netwerkinstellingen in aparte profielen vast zodat slechts één handeling nodig is om het gewenste netwerk te activeren. En wanneer de optie Activeer dit profiel automatisch is ingeschakeld, kan zelfs automatisch naar de instellingen voor het betreffende netwerk worden geswitcht. Enkele interessante instellingen die NetSetMan kan aanpassen:

NetSetMan heeft voor elk profiel een apart tabblad met instellingen. De verschillende profielen kunnen met een icoontje in het systeemvak snel worden geactiveerd (wat overigens ook vanuit het programma zelf kan met de knop Activeren).

Netsetman

Broncontrole van het netwerkverkeer

zie instructievideo nieuwsbrief #89 op 15:00

Is de internetverbinding opeens traag? Controleer dan via het venster Broncontrole welke processen daar verantwoordelijk voor zijn. Dit venster is te openen via een rechter muisklik op Start, optie Taakbeheer, sub Prestaties, knop Meer informatie (knop met drie puntjes), optie Broncontrole. Sorteer op tabblad Netwerk bij onderdeel Netwerkactiviteit op de kolom Verzenden of Ontvangen om te zien welke processen voor het meeste uitgaande of inkomende verkeer zorgen.

Broncontrole netwerkverkeer

Verbruik bandbreedte beperken met NetLimiter

Neemt een proces teveel bandbreedte in beslag waardoor andere programma's of gebruikers in het netwerk daar last van hebben? Beperk het verbruik van het betreffende proces dan met een tool als NetLimiter (download: www.netlimiter.com) door een down- en/of uploadlimiet in te stellen. Houd er rekening mee dat deze limieten ook na het afsluiten van NetLimiter nog steeds van toepassing zijn!

NetLimiter: beperk de door apps  gebruikte bandbreedte

Processen uit het opstartproces halen

Gaat het om een bandbreedte vretend proces dat je zelf hebt opgestart dan is het uiteraard voldoende om het betreffende programma af te sluiten of Windows opnieuw op te starten. Start het proces echter met Windows op en is dat niet gewenst, dan kan deze worden uitgeschakeld via Taakbeheer (tabblad Opstarten) of MSCONFIG (op te starten via de toetscombinatie Win-R, tabblad Services, activeer eerst de optie Alle Microsoft-services verbergen). Op basis van de naam van het proces moet het bijbehorende opstartitem snel te vinden zijn. Is dat niet het geval, dan zal door middel van trial and error verder gezocht moeten worden. Zie mijn website voor meer informatie over het uitschakelen van met Windows opstartende programma's.

Scannen op aangesloten netwerkapparaten

De snelheid van je internetverbinding kan worden belemmerd door op het netwerk aangesloten apparaten. Wordt de internetverbinding door meerdere personen gebruikt dan kan het geen kwaad om periodiek te controleren welke apparaten zijn aangesloten, mogelijk vind je zo de veroorzaker van de trage verbinding. Controleer daarvoor via de beheerpagina van het modem of de router (te openen met het IP-adres van het apparaat in de adresbalk van de browser) het overzicht van alle aangesloten apparaten, inclusief hun netwerknaam en IP-adres. Deze apparaten zijn overigens ook te achterhalen met de NirSoft-tool Wireless Network Watcher (download: www.nirsoft.net/utils/wireless_network_watcher.html). Deze tool scant alle IP-adressen binnen de IP-range van de computer en modem/router, en toont alle aangetroffen apparaten inclusief netwerknaam, MAC-adres, IP-adres en fabrikant.

Wireless Network Watcher: controleer alle op het netwerk aangesloten apparaten

Poorten van het modem of de router openzetten

De firewalls van het modem en de router bewaken de verbinding met internet zodat niet zomaar van buitenaf toegang tot een computer kan worden verkregen. De communicatie met het internet verloopt via zogenaamde poorten, elk type communicatie gebruikt een andere poort (zo wordt poort 80 gebruikt voor het opvragen van websites, en poort 25 voor het verzenden van e-mail). Met het oog op de veiligheid worden ongebruikte poorten standaard door de firewall van het betreffende apparaat gesloten. Sommige programma’s communiceren over een eigen poort zodat hun dataverkeer niet conflicteert met het overige verkeer. Op de website is te lezen hoe je deze poorten kunt openen. Wees er wel terughoudend mee, het netwerk wordt er namelijk minder veilig van. Wordt de software niet meer gebruikt (en is het dus niet meer nodig dat de poorten openstaan), dan kunnen deze uit veiligheidsoverwegingen beter direct weer worden gesloten!

TIP: Op de pagina over het delen van bestanden met een gedeelde netwerkmap wordt uitgebreid beschreven hoe bestanden in een netwerk kunnen worden gedeeld met andere computers in het netwerk.

Printers delen in het netwerk

Er zijn twee manieren om een printer op de computer aan te sluiten: direct met een kabel of indirect via het netwerk (met netwerkkabel of draadloos). Moeten meerdere apparaten gebruik kunnen maken van de printer dan is de laatste optie de meest praktische. Voorwaarde is wel dat de printer over een eigen netwerkaansluiting beschikt. Maar ook wanneer de printer alleen direct op een computer kan worden aangesloten, is het mogelijk om deze met andere apparaten in het netwerk te delen (via Instellingen > Bluetooth en apparaten > Printers en scanners en scanners, selecteer de betreffende printer, Afdrukwachtrij openen, kies Printer in het menu, optie Delen, knop Opties voor delen wijzigen, optie Deze printer delen). Nadeel is wel dat de computer aan moet blijven staan om de printer voor andere apparaten toegankelijk te houden.

© 2001-2026 - - SchoonePC - Rotterdam - Privacyverklaring